Oogappeltje

Sommige mensen werken zich snel op van cliënt naar Mijn Mevrouw. Die vlieger gaat hier niet op. De dame in kwestie heeft absoluut geen ambitie ooit Mijn Mevrouw te worden.
Een belletje van een bewonderenswaardig betrokken huisarts. Ze steekt niet onder stoelen of banken dat dit haar oogappeltje betreft. Ze zou graag zien dat ik dagelijks even controleer of de pillen goed zijn ingenomen en of alles oké is.
Ik krijg een helder signalement van het oogappeltje: 94 jaar, half Indisch, goed verzorgd, wat wiebelig op de been en helaas soms ook wat wiebelig in het hoofd. Niet erg verontrustend, passend bij de leeftijd. Overige kenmerken: authentiek en eigenzinnig. Ik voel enige niet goed te definiëren schroom.
Dinsdag, half 11. De dame woont in een wat sombere jaren tachtig-wijk. Veel steen en beton, weinig fantasie en zo mogelijke nog minder bomen. Ik ben benieuwd naar wat ik ga aantreffen. Authentiek en eigenzinnig zijn prachtige eigenschappen. Ze gaan echter maar zelden hand in hand met lekker vlot meewerken. Bovendien schept de status oogappeltje nogal wat verwachtingen, waarvan ik me afvraag of ik ze kan waarmaken.
De dame doet open. Er staat een rollator tussen haar en mij. Ze is klein, komt niet verder dan mijn schouders. Ze heeft prachtig grijs haar. Niet van dat geel-grijs, maar levendig grijs, waarbij je aan de donkerste lokken nog kunt zien dat ze ooit gitzwart waren. Vers in de krul.

Ze draagt een mooi mantelpakje, niet zomaar een mantelpakje. Om haar ogen een lijntje kohl en op de lippen een vleugje lichtroze. De zachte geur van een poeder hangt om haar heen.
Met gepaste bescheidenheid stel ik mezelf voor. Ze laat me schoorvoetend binnen en biedt me een stoel aan. Een stoel voorzien van houtsnijwerk en rode, fluwelen bekleding.

‘Blieft u koffie?’

Terwijl ze koffie zet, neem ik het overvolle interieur in me op. Aan de wand hangen allerhande foto’s van kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Niet gestileerd opgehangen, maar er gewoon steeds eentje bij gehangen. Geheel op basis van gevoel en plek. Verder een heleboel tierelantijn. Afstoffen is hier een dagtaak.
De dame komt binnen. Vakkundig manoeuvreert ze de rollator over de dikke vloerbedekking. Erop een dienblad met twee keurige, gebloemde kopjes. Bijpassend een suikerpot en melkkannetje, zilveren lepeltjes en koekjes op een schoteltje.

Ik zie een ietwat vreemde eend in de bijt. Haar pillendoos.

Vakje ‘dinsdagochtend’ is leeg.
Ze zet de koffie kordaat voor me neer.
Zonder dat ik erom vraag, vertelt ze me dat de weegschaal 48 kilo aangeeft, ietsje minder dan vorige week. ‘Fijn, want dan doen de plaspillen hun werk’, ratelt ze. Ze is vol lof over de thuiszorg en zegt dat er zonder twijfel veel ouderen zijn die mijn hulp hard nodig hebben. Dit beaam ik. Er valt geen speld tussen te krijgen en ik voel aan alles dat het tijd wordt om op te stappen. Voorlopig overbodig.
Ik vraag of ze het goed vindt dat ik over een maand of wat weer een keertje langs kom, als ik toch in de buurt ben. Ze vindt het goed. ‘Dat zal mijn dokter ook fijn vinden, ze is altijd zo bezorgd over me.’
Ik glimlach en neem afscheid.

Reageren:

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Site Footer